1) Ontwikkeling van moraliteit
Gedurende hun eerste vijf jaar leren kinderen het verschil tussen morele regels, sociale normen en persoonlijke keuzes maken. Kinderen snappen rond de leeftijd van vijf jaar dat morele regels vooral dienen om echt fout gedrag (dat anderen zou kunnen kwetsen of pijndoen) te vermijden. Daartegenover staan er de sociale normen die gebaseerd zijn sociaal gedrag en regels zijn die goed of slecht specifiëren. Een kind kan bijvoorbeeld weten dat het slaan van een ander moreel gezien slecht is, omdat het het ander kind pijn doet. Hiertegenover kan een kind ook weten dat het verkeer is om in de modder te spelen met een nieuwe jurk, omdat het waarschijnlijk oma boos maakt, maar het is niet iets waar de andere kinderen kwaad over worden. Een kind leert ook aan dat het bijvoorbeeld zelf geen ketchup lust op haar boterham met worst, maar dat bijvoorbeeld een ander kind dit wel eet. Het verstaat dus het concept van persoonlijke keuze.
Op de leeftijd van zes en zeven jaar gaat het vermogen om het onderscheid tussen morele regels, sociale normen en persoonlijke keuzes gaat rijper worden, waardoor het kleinkind met méér omstandigheden en mogelijkheden rekening kan houden. Hierdoor is het dan ook beter in staat om de mogelijke gevolgen van (slecht) gedrag in te schatten.
Een eigenschap ten zeerste verbonden aan moraliteit is de empathy die een individu kan opbrengen voor een ander. De ontwikkeling van empathy is volledig verbonden met de ontwikkeling van de taal en de cognitieve ontwikkeling. Reflectieve empathy is het vermogen om iets te zien vanuit het standpunt van een ander en zodoende te verstaan wat die persoon voelt. Het kind moet hierdoor verschillende zaken kunnen inschatten, met name gezichtsuitdrukkingen, gesproken gedachten en gedragingen zoals lachen of wenen. Deze eigenschap wordt als eerste door de kinderen aangeleerd en doordat ze nog niet verstaan hoe een ander te troosten, kan dit vrij overdonderend zijn voor het kind. Kinderen gaan een bepaalde situatie bij een ander op zichzelf projecteren en kunnen hierdoor gestresseerd raken. Het is pas vanaf het moment dat kinderen meer cognitieve maturiteit verwerven dat ze vaardigheden leren om deze reflexieve empathy om te zetten in manieren om een ander te troosten of te helpen ('ik zal mama halen om je te helpen...').
2) Emoties
Er zijn veel factoren die de emoties van een kind beïnvloeden en dit zowel interne als externe. Intern kan een kind zijn temperament zijn emotioneel gedrag naar de omgeving sterk aansturen. Kinderen met rustige karakters zijn meer geneigd om hun eigen emoties te controleren en reageren vaak op een gepastere wijze naar andere personen hun emoties. Kinderen met temperamentvollere karakters gaan moeilijker om met hun eigen emoties en zijn dan ook vaker geneigd om moeite te hebben met de emoties van anderen. Positieve emoties gaan vooral geïnspireerd en aangeleerd kunnen worden door warme, rustige en positief ingestelde omgangspersonen voor het kind, zoals de ouders, grootouders en onderwijzend personeel. Empathie en pro-sociaal gedrag wordt op die manier gestimuleerd en het kind gaat hier op jonge en late leeftijd de vruchten van plukken.
Agressie is onder andere een emotie waar kinderen onder mekaar op vroege leeftijd contact mee maken. Dit treedt vooral op tussen de leeftijd van 2 tot vier jaar, waarbij kinderen fysieke agressie gebruiken (slaan, schoppen en schreeuwen) om een bepaald doel te bereiken. Vanaf de leeftijd van vier jaar gaat men deze ongewenste omgangsvorm ook misbruiken om 'terug te slaan' als ze geconfronteerd worden met een foute actie of met pijn aangebracht door een ander. Door een gedegen opvoeding thuis, maar vooral op school tijdens interactie met andere kinderen, leren ze om met deze negatieve emotie om te gaan en andere manieren te gebruiken om hun doel te bereiken. Het sluiten van een compromis is hier dan vaak op zijn plaats. De meeste kinderen groeien uit deze omgangsvorm, maar er zijn altijd enkelingen (vooral leeftijd tussen 4 en 7) die hiervan gebruik blijven maken en deze kinderen groeien vaak uit tot de gekende pestkoppen. Het is aan het onderwijzend personeel en de ouders om hieraan het hoofd te bieden, alvorens dit uitgroeit tot een groot probleem op opvang, school of thuis.
Wanneer kinderen kunnen terugvallen op een stabiele thuishaven, liefhebbende (groot) ouders en een warme omgeving, gaat het kind vrij snel een goede inschatting kunnen maken van zijn acties op zijn directe omgeving. Het is immers vaak te wijten aan gestresseerde thuissituaties dat het kind zijn toevlucht zoekt tot sociaal niet-conforme emoties, zoals oa agressie. Bij eventuele vragen hieromtrent is het weeral best professionele hulp te zoeken en in dit geval zeer zeker bij het onderwijzend personeel, die het kind in zijn sociale omgangsvorm met gelijken terdege kunnen evalueren. Steun en begrip van de ouders en grootouders om existerend slecht gedrag te remediëren is hierin essentieel. Zie ook onze pagina over 'Ouders en grootouders als rolmodel'.
|