Vanaf de geboorte van een baby, zit ieder familielid te wachten totdat het kind kan rollen, kruipen en lopen. In tegenstelling tot de spraakontwikkeling, zijn deze mijlpalen op het eerste zicht makkelijk te bepalen. Ofwel rolt een kind, ofwel niet. Ofwel kruipt hij of hij loopt. Toch zijn veel ouders en grootouders onbekend met betrekking tot de verschillende onderdelen van de fysieke ontwikkeling van een (klein)kind.
Op het moment dat een kind begint te lopen, is het eveneens belangrijk HOE het kind wandelt. Zet hij/zij één voet voor de ander? Is de stapsnelheid stabiel? Op het moment dat een kind begint met kleuren, is het eveneens belangrijk hoe ie tekent. Hoe wordt het kleurpotlood vastgehouden? Wordt er genoeg druk op uitgeoefend? Fysische ontwikkeling kan tot twee grote onderdelen herleid worden:
1) De grote motoriek-functie: Dit is het gedeelte van de fysische ontwikkeling waaraan de meeste mensen onmiddellijk denken, het is met name het algemene vermogen van het kind om te bewegen en verschillende onderdelen van zijn lichaam te gebruiken. Hieronder vallen activiteiten als rollen, kruipen, wandelen, lopen en springen. Deze vaardigheden vereisen ofwel het hele lichaam of verschillende onderdelen ervan op hetzelfde moment.
2) De fijne motoriek-functie: Dit onderdeel van de fysische ontwikkeling van een kind omhelst de kleinere bewegingen en vooral het vermogen om externe informatie te verwerken en met handelingen deze te manipuleren om een bepaald resultaat te bekomen. Het is een veralgemenisering dat de fijne motoriek van een kind herleid kan worden tot het een voor zijn leeftijdscategorie efficiënt gebruik van diens handjes. Onder het begrip fijne motoriek horen nog een paar begrippen thuis die de vaardigheden van het kind verder duiden. Dit zijn volgende begrippen:
*) Visuele motorische vaardigheden: Deze vaardigheden vereisen coördinatie tussen het vermogen van het kind om te zien en diens handen. Op zeer jonge leeftijd omhelst dit activiteiten als met blokken spelen en in latere instantie bijvoorbeeld puzzelen.
*) Grafisch motorische vaardigheden: Dit omvat elke taak waarbij een voorwerp om te schrijven wordt gebruikt, bijvoorbeeld tekenen, kleuren en een pen gebruiken. Een belangrijp begrip dat ook vaak door opvoedkundigen wordt vermeld is de hand-oog coördinatie, wat concreet het vermogen van een een kind omschrijft om handmatig iets te doen met visuele informatie.
*) Motorische planning: Dit begrip wordt door professionals gebruikt om het vermogen van een kind te omschrijven om succesvol te interageren met diens omgeving. Dit betekent dus plannen, organiseren en ongewone motorische acties, bijvoorbeeld het oplossen van een nieuwe puzzel. Dus zowel de stukjes juist plaatsen als het planmatig oplossen van de puzzel (eerst randen opbouwen,...).
Fijne motorische vaardigheden beginnen zich meestal rond het tweede levensjaar te ontwikkelen.
Naast de grote motoriek functie en de fijne motorische vaardigheden zijn er ook nog een aantal factoren die de ontwikkeling van deze vaardigheden kunnen beïnvloeden. één van die factoren is dus de tijdsspanne waarbinnen een kind aandacht kan geven om een fysische taak uit te voeren.
Hieronder situeert zich onder andere het begrip ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder), dat de afgelopen jaren wat op de voorgrond is getreden. Het is niet mogelijk deze 'afwijking' op een paar regels uit te leggen, maar het draait dus rond het vermogen om bij het uitoefenen van een (fysieke) taak de aandacht erbij te houden. Hier dient dus een verschil gemaakt te worden tussen bijvoorbeeld het niet kunnen bouwen van een toren of simpelweg dat het kind te gemakkelijk afgeleid wordt om deze taak te kunnen volbrengen, doordat het (te) gemakkelijk afgeleid is door zijn omgeving.
Een andere factor
is de integratie van de zintuigen. Ieder kind en volwassene heeft op één of andere manier een zintuigelijke gevoeligheid.
Er zullen bijvoorbeeld bepaalde reuken zijn die een bepaald persoon ziek maken en een ander onverschillig laten. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld bij bepaalde geluiden. Waar veel ouders en grootouders vaak niet bij stilstaan, is dat er bepaalde kinderen zijn wiens zintuigelijke gevoeligheid hen beperkt in he t(aan) leren van bepaalde vaardigheden binnen de klas of thuis.
Deze zintuigelijke gevoeligheid gaat ook verder dan de vijf gekende zintuigen, met name reuk, tast, smaak, gehoor en zicht. Er zijn nog twee zintuigen die de ontwikkeling van het kind direct kunnen beïnvloeden met name het gevoel voor beweging en positie in de ruimte.
Alle deze zeven zintuigen dienen de informatie op een geschikte wijze te verwerken zodanig dat het lichaam dit kan gebruiken. Dit noemt men 'zintuigelijke integratie'. Soms zijn er onvolmaaktheden in dit geïntegreerd systeem, wat kan leiden tot onder- of overgevoeligheid op één of meerdere zintuigelijke vlakken en dit kan rechtstreeks de vaardigheid van een kind beïnvloeden om een fysische handeling te verrichten.
Enige voorbeelden om dit begrip nader te verklaren:
*) Tast: Bepaalde kinderen kunnen bijvoorbeeld overgevoelig wanneer bepaalde voorwerpen diens huid aanraken, zoals het spelen met klei, kleurpotloden,... .
*) Geur: Een kind kan bijvoorbeel ongewoon sterk reageren op bepaalde sterke geuren of ongewone geuren totaal niet opmerken (voedsel wat verbrandt, geur van gas,...).
*) Smaak: Bepaalde kinderen zijn overgevoelig voor de smaak van sommige voedingsmiddelen.
*) Zicht: Sterke lichtsignalen of bepaalde kleuren kunnen het kind storen
*) Gehoor: Een kind kan gestoord worden door plotse of hard lawaai.
*) Positie in de ruimte: Sommige kinderen hebben moeite om in te schatten hoeveel ruimte nodig is om naar een bepaald voorwerp te reiken of om zich bijvoorbeeld correct op een stoel te positioneren. Een kind dat steeds langs de stoel valt, kan een probleem hebben met betrekking tot deze vaardigheid.
*) Beweging: Een overgevoelig kind kan angst hebben bij de minste activiteit en dan vooral rond grote motorische vaardigheden, zoals klimmen, lopen,... . Een op dit vlak ongevoelig kind kan bijvoorbeeld onverschrokken de ganse dag springen, lopen en klimmen, maar bijvoorbeeld problemen hebben met fijnere activiteiten als puzzelen aan de tafel.
Hoe kan een ouder of grootouder deze zaken efficiënt evalueren en bekijken of een probleem puur fysisch is of dat er bijvoorbeeld problemen zijn met zintuigelijke integratie of aandachtsvaardigheden? Dit juist interpreteren en evalueren is zéér moeilijk en is ook vaak enkel mogelijk indien men het kind zéér goed opvolgt. Sommige kinderen kunnen bijvoorbeeld perfect thuis 20 delige puzzels oplossen, maar op school bijvoorbeeld niet. Dit wijst erop dat dit probleem niet fysisch gerelateerd is. Men zou dan kunnen concluderen de moeilijkheden van het kind zich situeren rond mogelijk aandachtsproblemen. Er is bijvoorbeeld teveel kabaal in de klas of er zijn teveel visuele stimuli die de aandacht van het kind opslorpen,...
De pagina 'ontwikkeling van de fysieke vaardigheden van een kind' zal u helpen om de ontwikkeling van de fysieke vaardigheden van het kind te volgen tijdens zijn eerste zes levensjaren.
Ontwikkelingsverloop
|