Header image  
Verlegenheid  
line decor
 
line decor
   
 
Verlegenheid

 

 

Verlegenheid is natuurlijk en hoeft normaliter geen enkel probleem te zijn, maar soms kan het een kind belemmeren in de omgang met zijn omgeving. Rond de leeftijd van acht maanden beginnen baby’s een angst tegenover vreemden te ontwikkelen. De mate van deze angst is weer heel individueel en persoonsgebonden. Wanneer ze ouder zijn, zijn peuters ook verlegen ten opzichte van onbekende volwassenen. Toch kan het kind ook verlegenheid tonen tegenover een bekende, wanneer het deze ontmoet in een onverwachte situatie.
 
Ouders en grootouders vinden dit verbazingwekkend, omdat de kinderen thuis erg uitgelaten en vrij zijn, maar opeens in een onbekende situatie zéér verlegen kunnen reageren. Toch is het daarnaast ook niet goed indien een kind zonder enige vorm van terughoudendheid afstapt op Jan en alleman. Het kind laat op deze manier merken dat het goed het verschil kent tussen bekenden en onbekenden.
 
Daarnaast moet men ook een onderscheid maken tussen verlegenheid en verlatingsangst. In beide gevallen hangt het kind erg aan de ouders en neemt het géén initiatief tot contact. Toch is de grondslag van het probleem anders. Bij verlatingsangst is het kind bang om bij zijn ouders vandaan te gaan en bij verlegenheid is het kind bang voor contact met anderen. Een verlegen kind heeft dan ook véél meer moeite om contact te leggen dan een kind met verlatingsangst.
 
Als ouder en grootouder kunnen we kind stimuleren door het te laten merken dat we hem/haar vertrouwen om zichzelf te behelpen. Wanneer het kind beseft dat wij er vertrouwen in hebben dat het zichzelf kan beredderen, zal dit op de duur ook een boost aan diens zelfvertrouwen geven. De aanwezigheid van andere leeftijdsgenootjes kan een kind ook helpen het verlegen gedrag sneller te overwinnen.

Wanneer de kinderen uiteindelijk naar de lagere school gaan, gaat nog steeds een groot aantal in meer of mindere mate verlegenheid ervaren. Kinderen die op deze leeftijd verlegen zijn, zijn over het algemeen onzeker en angstig voor hun omgeving. Door ze met lichte stimulans aan te sporen om meer spontaan te zijn, worden ze nog onzekerder. Beter is het om wat andere situaties op te zoeken waardoor het kind positieve ervaring op kan doen in het aangaan van contact waardoor de verlegenheid en onzekerheid langzaam kan afnemen.

 

Invloed van de ouders en grootouders

Ouders en grootouders kunnen hun kind goed helpen verlegenheid te overwinnen. Door eerst steun te bieden, maar daarna het kind wat los te laten en er op te vertrouwen dat het kind zich redt, kan het kind de verlegenheid overwinnen. Ouders en grootouders moeten ook proberen om het zelfvertrouwen van het kind te stimuleren. Dit kan door veel te complimenteren en opbouwende kritiek te geven, waardoor het kind zich meer en meer gewaardeerd en zelfzeker voelt door zijn omgeving.

Wanneer hulp zoeken?

Wanneer het verlegen gedrag ook bekenden en/of andere kinderen betreft. Wanneer de verlegenheid niet vermindert en het kind ‘verloren’ loopt in zijn omgeving, moet men hulp voor het kind zoeken. Zoniet raakt het meer en meer geïsoleerd in zijn eigen omgeving. De onzekerheid groeit en het kind zal zeer slecht eigenbeeld ontwikkelen. Deze negatieve spiraal moet mits professionele begeleiding doorbroken worden zodat het kind ook positieve ervaringen kan gaan opdoen in het contact met anderen.

Ook moet er in dit geval goed gekeken worden wat de onderliggende problemen zijn van het verlegen gedrag. De oorzaken zoals faalangst en onzekerheid moeten aangepakt worden. En verlegenheid overwinnen betekent ook dat het kind niet meer verlegen is, maar wel dat het kind hiermee leert omgaan en dat het geen al te grote belemmering meer vormt voor zijn dagelijks leven. Lees ook onze pagina over 'Hooggevoelige kinderen'.