Header image  

Gezondheid: Ogen en zicht

 
line decor
 
line decor
   
 

Ogen en zicht

 
 

Alhoewel de ogen relatief klein zijn ten opzichte van de andere organen, is hun structuur zéér complex. Beide ogen werken samen om dieptezicht te creëren. Maar ogen werken niet alleen samen met elkaar, ze staan ook in verbinding met het brein via zenuwen. De beweging ervan wordt dan weer gerealiseerd door kleine spieren. Daarnaast passen de ogen zich automatisch aan aan een veranderende omgeving, variërend van donker bij nacht tot zeer licht overdag.

Wanneer we in het aangezicht van iemand kijken, is maar een klein gedeelte van het oog zichtbaar. Het gehele oog, de oogbal, heeft de grootte van een pingpongballetje. De opbouw ervan is dan weer zéér complex, maar ook zeer kwetsbaar. Hierdoor moet dit orgaan te allen tijde goed beveiligd worden en door evolutie is dit dan ook gebeurd. De oogbal zit immers in een oogkas, waar het omringt is door de stevige botstructuur. Het zichtbare gedeelte van het oog is beschermd door de oogleden en wimpers, die ervoor zorgen dat zowel vuil en stof als te grote lichtintensiteit geweerd worden.

Onze ogen worden ook beschermd door het traanvocht, dat de ogen enerzijds bevochtigt en anderzijds stof, vuil en andere irriterende stoffen, die door de eerste beschermingsbarrière van de oogleden geraken, afvoert. Het traanvocht biedt ook een bescherming tegen mogelijke infectie. Elke keer als we met onze oogleden knipperen, gaan deze een laagje traanvocht over het hoornvlies vegen. De traanklieren, gelegen aan de boven-buiten zijde van de oogkas, produceren het traanvocht. Nadat het traanvocht het oog heeft bevochtigd, gaan de tranen in de traankanalen van de oogleden vloeien, waarna het zich verzameld in een traanzakje in het binnengedeelte van de oogkas. Hierna wordt het gebruikte traanvocht afgevoerd via een doorverbinding naar de neusholte.

Om te kunnen zien, moet het oog kunnen bewegen. Zes spieren, de uitwendige oogspieren genaamd, omringen de oogbal in de oogkas. Deze spieren werken op eenzelfde manier als touwtjes aan een pop, zodanig dat het oog in verschillende richtingen kan draaien. Normaliter werken de spieren van beide ogen simultaan, zodanig dat de twee ogen goed uitgelijnd blijven.

 

De wand van de oogbal is opgebouwd uit drie lagen:

*) Het oogwit: Zoals de naam reeds zegt, is dit het buitenste witte gedeelte van de oogbal. Dit sterke weefsel omringd de oogbal en is bevestigd aan het hoornvlies, het heldere gedeelte van de oogbal. Over het oogwit ligt een musceus membraan, dat het oog tegen uitdroging beschermd.

*) De choroid is de middelste laag die de bloedvaten bevat die zuurstof en nutriënten brengt naar het netvlies.

*) Het netvlies is het binnenste van de drie lagen, dat aan de binnenkant van de oogbal ligt. Het netvlies is een luchtgevoelige weefsellaag van zenuwen. De optische zenuw is de verbinding tussen het netvlies en de hersenen. Het brein gaat immers de zenuwpulsen van het netvlies uiteindelijk omzetten in een optisch beeld.

De holte in het centrum van de oogbal is opgevuld met een heldere gelachtige substantie, glasvocht genaamd. Dit materiaal is lichtdoorlatend en zorgt ervoor dat het oog zijn ronde vorm behoudt.

Het menselijk zicht is een proces waarbij beelden opgevangen door de ogen worden geïnterpreteerd door de hersenen. Op de centrale voorzijde van het oog is het doorzichtig circelvormig hoornvlies gelegen. Dit hoornvlies kunnen we niet echt detecteren, omdat het gekleurde gedeelte van het oog erachter gelegen is. De combinatie van het doorzichtige hoornvlies en een waterige vloeistof die erachter ligt,  focuseert de invallende lichtstralen, zodanig dat ze op het netvlies vallen.

Het gekleurde circelvormige membraan achter het hoornvlies, wordt iris genoemd. De iris controleert de hoeveelheid licht die het oog binnen kan dringen door de grootte van het centrale gat in de iris, pupil genaamd, te vergroten of te verkleinen. Wanneer het oog geconfronteerd wordt met een overvloed aan licht, wordt de pupil verkleind. In het andere geval, bij te weinig licht, gaat de pupil worden vergroot om op die manier een maximale hoeveelheid licht te capteren.

 

De ooglens zit net achter de iris en gaat net zoals bij een cameralens, het licht dat al gefocuseerd is geworden door het hoornvlies en het waterachtige vocht erachter, verder focuseren. Hierdoor kan het licht doorheen het glasvocht geconcentreerd worden en invallen op het netvlies. Om objecten op verschillende afstanden scherp te kunnen zien, moet de ooglens zijn vorm kunnen aanpassen. Door het spannen van de ‘accomodatiespier’ rond de lens wordt de lens minder opgespannen en daardoor boller, waardoor het oog dichterbij scherpstelt. Ontspant de spier dan trekt het vaatvlies de lens weer plat. Hierdoor hebben de mens en veel andere diersoorten het vermogen om zowel dingen die ver weg liggen als dingen die zich dichtbij bevinden scherp te zien. Dit accomodatievermogen gaat echter bij de mens tussen het 40e en het 50e levensjaar sterk achteruit door minder elastisch worden van de lens - dan hebben veel mensen een leesbril nodig.

Het netvlies is opgebouwd uit miljoenen lichtreceptoren. Dit kunnen zowel staafjes als kegeltjes zijn al naargelang hun uitzicht. Staafjes zijn meer lichtgevoelig dan kegeltjes. Elk oog heeft ongeveer 125 miljoen staafjes, die ervoor zorgen dat we schemerlicht kunnen waarnemen in verschillende grijsvarianten. Staafjes kunnen evenwel géén kleuren waarnemen. De zes miljoen kegeltjes kunnen dan helder licht waarnemen, maar eveneens kleuren en details.

De gele vlek is een kleine gespecialiseerde zone van het netvlies. Deze zorgt ervoor dat we zeer fijne details kunnen waarnemen als we rechtstreeks op een object focuseren. Deze gele vlek bevat dan ook bijna uitsluitend kegeltjes en een minderheid van staafjes.

Wanneer licht invalt op het netvlies, stimuleert het als dusdanig de staafjes en kegeltjes. Het netvlies gaat dan zenuwsignalen via de oogzenuw doorsturen naar het brein. Het gedeelte van het brein dat zich met visuele informatie bezighoudt, wordt de gezichtsschors genaamd. Net zoals bij een camera, gaat de ooglens lichtpatronen ondersteboven doorgeven aan het brein. De gezichtsschors gaat dan deze informatie omdraaien, zodanig dat we het beeld correct waarnemen.

De meeste mensen gebruiken beide ogen om een voorwerp te zien. Dit wordt binoculair zicht genoemd. Door dit zicht, worden beelden gecapteerd op het netvlies van beide ogen. Deze beelden zijn lichtjes verschillend, omdat het voorwerp vanuit een licht andere hoek wordt bekeken. Deze twee beelden worden dan in het brein verder verwerkt en zorgen ervoor dat een mens dieptezicht heeft. Het zicht van een mens is een zeer complex proces.

Zie ook onze pagina over 'Contactlenzen voor kinderen'.